Flexibele insulinetherapie

Bij flexibele insulinetherapie spuit u vier keer per dag insuline. Eén keer langwerkende insuline en drie keer snelwerkende insuline, ook wel maaltijdinsuline genoemd.

Afdeling

Diabetes

Lees meer

Meer over

Wat zijn de voordelen van flexibele insulinetherapie?

  1. U kunt de natuurlijke situatie nabootsen

Het lichaam van gezonde mensen maakt 24 uur per dag een klein beetje insuline aan. Na het eten komt er meer glucose (suiker) in het bloed. Het lichaam maakt dan extra insuline aan. Insuline zorgt ervoor dat uw bloedglucose niet te hoog wordt.

Met flexibele insulinetherapie kunt u deze natuurlijke situatie nabootsen. U geeft langwerkende insuline die 24 uur per dag een beetje insuline afgeeft. Om de glucosepieken na de maaltijd op te vangen, geeft u maaltijdinsuline.

  1. U kunt flexibel omgaan met de tijdstippen waarop u eet
  • Als u vroeger of later eet, kunt u de maaltijdinsuline ook vroeger of later geven.
  • U kunt uitslapen en zonder problemen later spuiten en later ontbijten.
  1. U kunt de hoeveelheid maaltijdinsuline aanpassen
  • Eet u meer of minder dan normaal? Dan kunt u ook meer of minder maaltijdinsuline spuiten.
  • Gaat u sporten of meer bewegen? Dan daalt de bloedglucose over het algemeen. Uw lichaam heeft dan minder insuline nodig. Om dit op te vangen, kunt u minder maaltijdinsuline geven.
  • Bij het overslaan van een maaltijd kan het zijn dat u niet hoeft te spuiten.
  1. U kunt vliegen door tijdzones opvangen

Bij reizen met tijdzoneverschil kunt u uw insulineschema makkelijker aanpassen aan de nieuwe tijden.

 


 

De ideale glucosewaarden liggen tussen de 4.5 en 9 mmol/l

Nuchter (bij het wakker worden)

tussen de 4.5 en 8 mmol/l

Voor de maaltijd

tussen de 4.5 en 8 mmol/l

Twee uur na de maaltijd

lager dan 9

Voor het slapen gaan

tussen de 6 en 9 mmol/l

Het ideale HbA1c-gehalte ligt rond de 53 mmol/mol

Het HbA1c is een waarde in het bloed die iets zegt over de gemiddelde bloedglucosewaarde van de afgelopen acht tot twaalf weken.

Bent u ouder dan zeventig jaar, dan liggen de ideale waarden hoger.

 

  • Wanneer geeft u de maaltijdinsuline?

De snelwerkende maaltijdinsuline begint vrijwel direct te werken nadat u het heeft gespoten. U spuit de maaltijdinsuline voor iedere maaltijd. Dus drie keer per dag. Na het spuiten van de snelwerkende insuline moet u gaan eten, anders krijgt u een hypo (een te lage bloedglucose).

  • Wanneer geeft u langwerkende insuline?

De langwerkende insuline spuit u elke dag op hetzelfde moment. Dit doet u één keer per dag. Na deze injectie hoeft u niets te eten.

  • Hoeveel insuline moet u spuiten?

De hoeveelheid insuline die nodig is, verschilt per persoon. Als u start met flexibele insulinetherapie zal uw diabetesverpleegkundige met u berekenen hoeveel insuline u nodig heeft. Hij of zij zal u vragen een dagcurve te maken. Hiervoor moet u vier tot zeven keer op een dag uw bloedglucose meten en de waarde opschrijven. Op basis van uw dagcurve wordt bepaald hoeveel insuline u moet spuiten.

 


Snelwerkende maaltijdinsuline en voeding

Snelwerkende maaltijdinsuline spuiten betekent koolhydraten eten

Uw bloedglucosewaarde stijgt door het eten of drinken van koolhydraten. Daarom moet maaltijdinsuline direct voor de maaltijd gespoten worden. Maar, als u bijvoorbeeld een voorgerecht eet zonder koolhydraten, dan kunt u de maaltijdinsuline beter spuiten voor de hoofdmaaltijd die wel koolhydraten bevat. Spuit u insuline voor een maaltijd zonder koolhydraten dan is de kans groot dat u een hypo krijgt.

Insuline spuiten voor een tussendoortje

Maaltijdinsuline is na ongeveer drie uur grotendeels uitgewerkt. Als u voor de volgende maaltijd een tussendoortje neemt van meer dan 15 gram koolhydraten, dan is het nodig hiervoor extra insuline te spuiten.  

De basisregel hierbij is

  • Voor een tussendoortje met minder dan 15 gram koolhydraten hoeft u geen extra insuline te spuiten.
  • Bevat een tussendoortje meer dan 15 gram koolhydraten, overleg dan met uw diëtist of diabetesverpleegkundige hoeveel insuline u extra nodig heeft.

Snelwerkende maaltijdinsuline en lichaamsbeweging

Door lichamelijke inspanning daalt de bloedglucose meestal. Als u binnen twee uur na het spuiten van maaltijdinsuline gaat sporten, dan is het advies om de insulinedosis te halveren (50%). Bij zware inspanning kan het nodig zijn nog verder te minderen met de insuline. Dit kan nodig zijn om hypo’s tijdens en na het sporten te voorkomen (zie ook de sportfolder).

Zelfregulatie met snelwerkende maaltijdinsuline

Flexibele insulinetherapie geeft u de mogelijkheid de insulinedosis aan te passen als uw bloedglucose te hoog of te laag is. Een voorbeeld: stel u heeft een te hoge bloedglucose voor de maaltijd, dan kunt u extra snelwerkende insuline spuiten. U zorgt er dan voor dat uw bloedglucose na de maaltijd niet opnieuw te hoog is. Mensen die per dag veel eenheden (EH) insuline gebruiken (bijvoorbeeld 120 EH), moeten meer bijspuiten dan mensen die weinig eenheden insuline per dag spuiten (bijvoorbeeld 28 EH). U kunt met uw internist of diabetesverpleegkundige overleggen hoeveel insuline u extra moet spuiten.

Vuistregels voor het aanpassen van de maaltijdinsuline

LET OP: deze vuistregels kunnen per persoon verschillen

  • 1 eenheid maaltijdinsuline laat de bloedglucose 2,5 mmol/l dalen
  • 15 gram koolhydraten laat de bloedglucose tot 2,5 mmol/l stijgen

ADVIES: spuit meer maaltijdinsuline bij een glucosewaarde boven de 10 mmol/l

Bloedglucosewaarde

Snelwerkende maaltijdinsuline extra

Lager dan 4 mmol/l

Neem 200 ml limonade met suiker of 4 tabletten druivensuiker

Tussen 4-10 mmol/l

Geef de normale dosis insuline

Tussen 10-15 mmol/l

Neem 2 tot 4 EH-insuline extra

Tussen 15-20 mmol/l

Neem 4 tot 8 EH-insuline extra

Boven de 20 mmol/l

Neem 10 EH-insuline extra

Controleer uw glucosewaarde na twee uur. Is deze dan nog boven de 20 mmol/l, neem dan contact op met de diabetesverpleegkundige of internist.

ADVIES: pas uw langwerkende insuline niet zelf aan

 


Hypo’s voor de maaltijd

Is uw bloedglucose voor de maaltijd lager dan 4 mmol/l, neem dan een glas aanmaaklimonade (3 eetlepels siroop aanmengen met water), vruchtensap of 4 tot 5 tabletten druivensuiker. Daarna wacht u 10 minuten. De suiker wordt dan opgenomen in het bloed. Daarna spuit u de gebruikelijke dosis insuline voor die maaltijd.

Voor het slapen gaan

Is uw bloedglucose voor het slapengaan lager dan 6 mmol/l? Neem dan 15 gram koolhydraten in vaste vorm, zoals een bruine boterham, een stuk ontbijtkoek of wat fruit. Spuit altijd dezelfde dosering langwerkende insuline. Heeft u vaker een afwijkende glucosewaarde voor het slapen? Bespreek dan met uw diabetesverpleegkundige hoe u dit kunt voorkomen.

Ziekte

Ziekte en koorts kunnen uw bloedglucosewaarden flink ontregelen. Controleer daarom uw bloedglucose extra vaak. De snelwerkende maaltijdinsuline kunt u aanpassen aan de hoeveelheid koolhydraten die u eet of aan de hoogte van de bloedglucosewaarden (zie schema eerder op deze pagina). De langwerkende insuline hoeft u meestal niet te wijzigen.

Braken

Probeer te blijven drinken, ook als u zich niet lekker voelt. Pas de dosis insuline aan, aan de glucosewaarden die u meet. Verslechtert uw conditie, blijven uw glucosewaarden hoog of droogt u uit? Neem dan contact op met uw diabetesverpleegkundige of de dienstdoende huisarts. 

Braken is bellen!

Bent u ziek, heeft u hoge glucosewaarden en moet u braken? Bel dan altijd direct uw diabetesverpleegkundige of de dienstdoende huisarts. 

Contact

Uw diabetesverpleegkundige helpt u graag

Heeft u vragen over flexibele insulinetherapie? Bespreek dit dan met ons tijdens de volgende afspraak. Wij helpen wij u graag.

  • Diabetesverpleegkundigen
    (0344) 67 44 78
    telefonisch spreekuur van maandag tot en met vrijdag van 08.30-09.00 en 13.30-14.30 uur
    diabetespoli@zrt.nl